
Spenen van zoogkalveren: een vlotte overgang naar vaste voeding
Wanneer spenen?
Een kalf wordt best niet te vroeg gespeend. Idealiter blijft het minstens 5 à 6 maanden bij de moeder. In die periode drinkt het kalf grote hoeveelheden melk, verdeeld over meerdere kleine drinkbeurten. De melk is in de eerste levensmaanden de belangrijkste voedingsbron.
Naarmate het kalf groeit, neemt niet alleen het lichaamsgewicht toe, maar ook de behoefte aan extra voeding. Stilaan begint het kalf vaste voeding op te nemen, vaak door het gedrag van de moeder en andere kalveren te kopiëren. Zo leert het ruwvoeder eten en begint het te herkauwen.
Vaste voeding tijdens de zoogperiode
Tijdens deze fase is het aangewezen om startvoeder aan te bieden op een plek waar kalveren apart kunnen eten. Aangezien kalveren in het voorjaar geboren vooral volle melk en weidegras krijgen, zijn startvoeders met een lager eiwitgehalte geschikt, zoals Nr 111 Spelti Mix en Nr 115 Junior Mix.
De overgang naar spenen
Oudere kalveren nemen vanzelf meer vaste voeding op en worden minder afhankelijk van melk. Toch blijft de overgang naar volledig spenen een grote stap. Daarom is het raadzaam om in de laatste maand vóór het spenen over te schakelen op een eiwitrijker krachtvoeder. Dit kan tot 3 à 4 kg per kalf per dag, afhankelijk van de situatie:
Nr 112 Startkorrel Ad Lib: bij beperkte ruwvoederopname
Nr 113 Startkorrel Safe: met extra ondersteuning voor de darmgezondheid
Nr 114 Korrel voor opfokkalveren: geschikt bij goede opname van maïskuil
Na het spenen
Na het verhokken en spenen is het belangrijk om het aangepaste rantsoen verder te zetten. Zo voorkom je een speendip en ondersteun je een vlotte groei. Rond de leeftijd van 7 à 8 maanden kunnen kalveren meer ruwvoeder opnemen, zoals maïskuil en voordroogkuil. Ze hebben nog steeds nood aan extra eiwit en energie. Het rantsoen kan dan geleidelijk evolueren naar 70 à 80% ruwvoeder, aangevuld met een krachtvoeder voor de groeifase dat afgestemd is op de kwaliteit van het ruwvoeder.